| ||||||||||||
|
| ||||||||||||
Informatie voor aanstaande ouders | ||||||||||||
PasgeborenenDoor A. de Reede
Certificaat borstvoeding Geef moeders zelfvertrouwen Ziekenhuizen kunnen zich onderscheiden door het Unicef-certificaat Zorg voor Borstvoeding te behalen. Een doelbewust beleid op het gebied van borstvoeding bevordert de kwaliteit van de zorg die moeder en kind wordt geboden.
Sinds 1996 werkt de stichting Zorg voor Borstvoeding in Nederland aan de uitvoering van een internationaal programma van Unicef, dat tot doel heeft het geven van borstvoeding te bevorderen. Zij richt zich daarbij met name op de ziekenhuizen. De oorspronkelijke naam van het programma is dan ook 'Baby Friendly Hospital Initiative' (BFHI). Het programma voorziet erin dat ziekenhuizen door aan bepaalde voorwaarden te voldoen het certificaat Zorg voor Borstvoeding kunnen behalen. Tot nu toe is het certificaat toegekend aan de kraamafdelingen van het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis in Amsterdam, het UMC St. Radboud in Nijmegen en het Rijnstate Ziekenhuis in Arnhem. Bij het streekziekenhuis Coevorden-Hardenberg heeft zowel de kraamafdeling als de kinderafdeling het certificaat behaald. Het Havenziekenhuis in Rotterdam, dat als eerste Nederlandse ziekenhuis het certificaat kreeg toegekend, heeft onlangs de afdeling verloskunde moeten sluiten. Overigens beperkt de stichting zich bij haar activiteiten niet alleen tot de ziekenhuizen. Omdat lang niet alle baby’s in ons land de eerste week van hun leven in het ziekenhuis doorbrengen, richt zij zich ook op de kraamzorg. Beleid De kraamafdelingen in ons land zijn volop in beweging. Er wordt nagedacht over kraamkamers die een vriendelijker uitstraling hebben dan de verloskamers, zogenoemde single maternity rooms, waar bijvoorbeeld de partners mogen blijven overnachten. Bij de fusie van twee ziekenhuizen ontstaat regelmatig op één locatie een moeder-kindcentrum, waarmee de afstand tussen de kinderafdeling en de kraamafdeling wordt verminderd en de zorg vriendelijker wordt gemaakt. Die aandacht voor de bijzondere periode van de geboorte van een baby is ook terug te vinden in de toenemende belangstelling voor borstvoeding. Steeds meer ouders weten dat moedermelk voor hun kind echt de beste keus is. Kunstmatige voeding is nu eenmaal niet meer dan een zorgvuldige imitatie, waarvan het weliswaar goed is dat erop kan worden terugvallen als dat nodig is maar die nooit een volwaardige vervanging kan bieden. Zo’n tachtig procent van de aanstaande moeders in ons land besluit borstvoeding te gaan geven. Ook in de gezondheidszorg is borstvoeding inmiddels een onderwerp waarover gesproken wordt. In veel ziekenhuizen is een werkgroep Borstvoeding opgericht, samengesteld uit vertegenwoordigers van meerdere disciplines en vaak ook met extramurale deelnemers: verloskundigen, kraamzorgorganisaties, de thuiszorg, huisartsen. De voordelen van deze samenwerking springen in het oog: er is een grotere consistentie in de advisering en de overgang van de zorg in het ziekenhuis naar de zorg in de eerste lijn verloopt er beter door. 'Ketenzorg' voorkomt dat ouders tegenstrijdige adviezen krijgen. Tegelijk blijkt het voor de verschillende organisaties die zich met de zorg voor moeder en kind bezighouden, niet altijd gemakkelijk in de praktijk vorm te geven aan een eigen beleid op dit terrein. Kraamafdelingen zien zich, net als de extramurale organisaties, gesteld voor nogal wat vragen ten aanzien van de eigen werkwijze. Het gaat dan om vragen als: - hoe is ons borstvoedingsbeleid eigenlijk; - is iedereen het ermee eens en ervan op de hoogte; - is iedereen ook voldoende geschoold om dat beleid in praktijk te brengen; - wat doen we aan prenatale voorlichting; wie vertelt wat en wanneer; - zorgen we na de bevalling voor rust en huid-op-huidcontact tussen moeder en kind; - hebben we allemaal de basisvaardigheden goed in de vingers: helpen aanleggen, de signalen van de pasgeborene leren begrijpen; - staat bevorderen van het zelfvertrouwen van de moeders bovenaan of bestaat de neiging om een en ander even handig over te nemen; - zijn de gegevens van de borstvoedingorganisaties in de regio bekend en worden ze altijd aan moeders doorgeven? Om borstvoeding geven weer gemakkelijk en vanzelfsprekend te maken, is een antwoord nodig op dit soort vragen. De tien vuistregels die Unicef formuleerde om borstvoeding tot een succes te maken (zie kader), vormen een goede basis om tot nieuw beleid te maken, maar daarbij is de vraag: waar te beginnen? Ondersteuning De stichting Zorg voor Borstvoeding heeft allerlei producten ontwikkeld om de implementatie van een borstvoedingsbeleid op de kraamafdeling en de kinderafdeling te ondersteunen. Daartoe behoren een beknopte informatiefolder over de certificering, een vragenlijst voor interne beoordeling, een beschrijving van de criteria waaraan een instelling moet voldoen om voor het certificaat in aanmerking te komen en een model plan-van-aanpak. Dit laatste omvat een uitgebreid stappenplan en een aantal praktische bijlagen, zoals een vragenlijst voor aanstaande ouders, een evaluatieformulier voor cliënten en een 0-meting voor de kennis van de medewerkers. De ervaring leert dat verpleegkundigen altijd moeten worden bijgeschoold op het gebied van de begeleiding bij borstvoeding. Dat is niet omdat het onderwerp borstvoeding zo bijzonder ingewikkeld is, maar komt doordat er, jammer genoeg, in de reguliere opleidingen vaak te weinig aandacht aan wordt besteed. De bijscholing kost tijd en geld, maar heeft het grote voordeel dat medewerkers met elkaar op één lijn komen en gemotiveerd raken om zich daadwerkelijk met borstvoeding bezig te houden. Het is nu eenmaal iets dat ze bij hun werk dagelijks tegenkomen. Zoals gemeld zijn er op dit moment vier ziekenhuizen in Nederland die zich met een Unicef-certificaat Zorg voor Borstvoeding onderscheiden. Daarmee blijft de certificering in de ziekenhuizen achter bij die in de kraamzorg. Hoopgevend is dat in veel andere ziekenhuizen de voorbereidingen om op termijn voor certificering in aanmerking te kunnen komen, in gang zijn gezet. Adrienne de Reede is directeur van de stichting Zorg voor Borstvoeding. Meer informatie over de activiteiten van de stichting is te vinden op haar website (www.zvb.borstvoeding.nl). Tien vuistregels De tien vuistregels die Unicef ontwikkelde voor het welslagen van borstvoeding. Alle instellingen voor moeder- en kindzorg dienen er zorg voor te dragen 1. dat zij een borstvoedingsbeleid op papier hebben, dat standaard bekend wordt gemaakt aan alle betrokken medewerkers; 2. dat alle betrokken medewerkers de vaardigheden aanleren, die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van dat beleid; 3. dat alle zwangere vrouwen worden voorgelicht over de voordelen en de praktijk van borstvoeding geven; 4. dat moeders binnen een uur na de geboorte van hun kind worden geholpen met borstvoeding geven; 5. dat aan vrouwen wordt uitgelegd hoe ze hun baby moeten aanleggen en hoe zij de melkproductie in stand kunnen houden, zelfs als de baby van de moeder moet worden gescheiden; 6. dat pasgeborenen geen andere voeding dan borstvoeding krijgen, noch extra vocht, tenzij op medische indicatie; 7. dat moeder en kind dag en nacht bij elkaar op een kamer mogen blijven; 8. dat borstvoeding op verzoek wordt nagestreefd; 9. dat aan pasgeborenen die borstvoeding krijgen geen speen of fopspeen wordt gegeven; 10. dat er borstvoedingsbegeleidingsgroepen kunnen worden gevormd en dat vrouwen bij het beëindigen van de zorg naar deze groepen worden verwezen. Ontleend aan Kind en Ziekenhuis, themanummer 'Kraamsuites en gezinsgerichte zorg', september juni 2003. |