Home   Sitemap   Contact   Links
Informatie voor aanstaande ouders

Pasgeborenen

Door A. van Lonkhuyzen


Prof. dr. Marianne Riksen-Walraven:

‘In die eerste dagen kun je veel
doen voor ouders en kind’

Het is belangrijk dat kinderen en ouders samen een goede start maken. Ze moeten elkaar leren kennen en op elkaar ingespeeld raken, en dat begint direct na de geboorte. Hoe zit dat dan met kinderen die worden geboren in het ziekenhuis? Hoe kunnen kind en ouders daar een goede start maken? We legden de vraag voor aan Marianne Riksen-Walraven, hoogleraar ontwikkelingspsychologie aan de Universiteit van Nijmegen.

Marianne Riksen-Walraven kwam vorig jaar in het nieuws met de – niet zo welkome - boodschap dat crèches wel degelijk schadelijk kunnen zijn voor kinderen tot twee jaar. Wat blijkt namelijk: de hersenen van baby’s ontwikkelen zich onder invloed van de omstandigheden. Hoe meer positieve ervaringen, hoe beter. Op een crèche krijgen kinderen vaak minder aandacht dan thuis: ze worden minder geknuffeld bijvoorbeeld en worden minder snel opgepakt als ze huilen. Dat heeft een aantoonbaar effect op de ontwikkeling van kinderen, blijkt uit onderzoek. Zo kan wetenschappelijk onderzoek volwassenen meer inzicht geven in wat jonge kinderen nodig hebben om zich goed te ontwikkelen. Hoe zit dat met baby’s die worden geboren in het ziekenhuis: wat hebben zij nodig?
Professor Riksen-Walraven: ‘Als een kind geboren wordt, kan het het beste zoveel mogelijk bij de ouders zijn. Ik kan daar eigenlijk niets nieuws over vertellen, het is een oud verhaal. De inzichten hierover zijn al jaren geleden door onderzoek bevestigd. Het is beter als ouder en kind samen zijn: vanuit het kind gezien en vanuit de ouders gezien.’

Voorkeur
‘Als je goed kijkt, zie je dat heel jonge baby’s hun moeder al herkennen en dat ze prefereren om bij haar te zijn, of in elk geval bij een vaste verzorger. Er zijn onderzoeken gedaan bij heel jonge baby’s die daarover duidelijke aanwijzingen opleveren. Zo zijn er experimenten gedaan waarbij in de wieg twee lapjes werden gehangen: aan de ene kant een lapje dat de moeder op haar huid had gedragen en aan de andere kant een lapje dat steriel was, ofwel van een andere moeder. Vervolgens werd gekeken in welk lapje de baby’s met hun neus gingen liggen. In de eerste week was al een heel duidelijke voorkeur te zien voor de geur van de eigen moeder. Eenzelfde voorkeur hebben pasgeborenen al voor de stem van de moeder; ook dat is uit onderzoek gebleken. In de psychologie is het meeste onderzoek gedaan naar het visuele herkennen: onze samenleving is visueel ingesteld. Baby’s herkennen stilstaande plaatjes van gezichten – waarmee men de eerste herkenningsexperimenten deed – pas vrij laat, namelijk bij een maand of drie. Daarom heeft men heel lang gedacht dat baby’s hun verzorgers in de eerste maanden nog niet konden onderscheiden van vreemden. Maar herkenning hangt met veel meer dingen samen: geur, stem, de manier van vasthouden en bewegen. Die herkenning is er al veel eerder, dat begint al bij – en zelfs al vóór – de geboorte: de baby richt zich op de moeder.’

Gevoelige periode
‘Baby’s hebben een aangeboren mechanisme, gericht op het zoeken van bescherming en hechting. Het is aanvankelijk een globaal gedragssysteem, gericht op het bevorderen van contact met ‘beschermende anderen’ in het algemeen, maar ook met de mogelijkheid om zich af te stemmen op de specifieke kenmerken van degenen die het meest voor het kind zorgen. Het kind probeert contact te leggen, bijvoorbeeld door op een gegeven moment de ander te volgen met de ogen. Het is er daarbij op gericht om te leren: hoe handelt die ander, hoe krijg ik de aandacht? Kinderen gaan zo in hun gedrag al heel snel rekening houden met de gedragskenmerken van hun ouder. Er is onderzoek gedaan bij moeders die door een postnatale depressie niet echt contact konden leggen met hun kind. Dan zie je dat zo’n kind al heel snel niet eens meer probéért om oogcontact te maken, echt opmerkelijk. Daarom is het zo belangrijk dat er in zulke gevallen snel ondersteuning komt voor moeder en kind; want die kan juist dan heel positieve effecten hebben. Door bij de ouder te zijn, door contact te hebben, vormt de band zich.
Ook vanuit de moeder gezien is het goed als ze haar pasgeboren baby zoveel mogelijk bij zich heeft en als ze er zelf voor kan zorgen. Uit onderzoek blijkt dat vroege contacten de band van moeder naar kind duidelijk faciliteren. Bij de geboorte van hun kind zijn moeders in een verhoogde staat van openheid voor het aangaan van een band met hun kind. Datzelfde geldt trouwens voor vaders; ook zij hebben direct na de geboorte een gevoelige periode. Ouders hebben dan vaak een sterke behoefte om hun kind vast te houden, ernaar te kijken, eraan te ruiken, soms zelfs eraan te likken. Ze zijn bezig zich alle kleine kenmerken van het kind in te prenten. Want complementair aan het kind hebben ouders ook zo’n globaal gedragssysteem, dat zich moet gaan afstemmen op de specifieke kenmerken van dit kindje. In het ideale geval zijn ouders meteen verliefd op hun kind; die sterke gerichtheid helpt het contact positief in te vullen.’

Unieke eenheid
‘Er is nog weinig bekend over de situatie in ziekenhuizen, wat baby’s daar meemaken. Als een paar moeders samen op zaal liggen, komt het regelmatig voor dat de kinderen ’s nachts worden weggehaald, of dat ze worden weggehaald als ze huilen. Maar als zo’n kind op de babykamer ligt, brengen de verpleegkundigen het dan naar de moeder voor een voeding? Verloopt de voeding volgens het eigen schema van ouders en kind of volgens het schema van het ziekenhuis? Wat gebeurt er als een kind huilt; wordt het dan opgepakt en getroost? Hoe is het in de babykamer: donker en rustig of is het er licht en druk, bijvoorbeeld door huilende kinderen? Hoe gaat het in het ziekenhuis met verschonen, wassen en aankleden: zijn de ouders erbij en doen ze dat zo mogelijk zelf? En hoe is dat met de ouders: in hoeverre krijgen zij ongelimiteerd de gelegenheid om hun kind te leren kennen? In hoeverre worden ze aangemoedigd de band met hun kind aan te gaan?
Het is niet precies bekend wat voor ervaringen kinderen en ouders opdoen in het ziekenhuis, maar je kunt raden dat er veel dingen gebeuren die thuis niet zouden gebeuren. Ziekenhuizen werken vanuit praktische principes: het moet handig en efficiënt zijn. Er zit ook veel gewoonte bij, en vaak denken mensen nog dat het voor een jong kind niets uitmaakt waar het ligt. Het bewustzijn dat er een belangrijk proces gaande is tussen ouder en kind staat vaak op de achtergrond.
Het belangrijkste dat nodig is, is dat verpleegkundigen niet meer alleen de moeder als patiënt zien of de moeder en het kind als twee afzonderlijke patiënten, maar dat ze moeder en kind als één patiënt (liever: ‘cliënt’) zien. Vlak na de geboorte zijn ze zó met elkaar verweven, ze zijn samen een unieke eenheid. Als je zo kijkt naar moeder en kind, ontstaat een heel andere situatie. Dan heb je als verpleegkundige de belangrijke taak om dat proces van afstemming zo goed mogelijk te laten verlopen.’

Moeilijk en riskant
‘In die eerste dagen na de geboorte liggen er kansen waar je van moet profiteren. Het is een sensitieve periode, waarin ervaringen extra zwaar wegen. Wat daar gebeurt, blijft bij ouders allemaal heel goed hangen. Dat klopt met geheugenonderzoek waaruit blijkt dat emotionele opwinding (die ook rond het geboorteproces optreedt) het inprenten van herinneringen bevordert. Ik heb dat zelf ook meegemaakt, bij de geboorte van mijn eerste kind. Hij werd geboren in het ziekenhuis en werd meteen weggehaald, zodat ik hem niet eerst eens op mijn gemak heb kunnen bekijken. Het heeft een hele tijd geduurd voordat ik het gevoel had: dit is echt mijn kind. Ik ben daar achteraf heel boos om geweest, maar op het moment zelf heb je niet de kracht om te zeggen: 'hier met dat kind'.
Nou wil ik zeker niet dat mensen gaan denken dat die beginperiode vreselijk moeilijk en riskant is, want zo zie ik dat helemaal niet. Ook als de start niet best is, kan het weer helemaal goed komen met de band tussen moeder en kind. Hoe die band zich ontwikkelt, is afhankelijk van drie groepen factoren: kenmerken van het kind, van de moeder en van de context waarin zij zich bevinden. Als bijvoorbeeld een kind niet te moeilijk is en de moeder zit goed in haar vel, is veerkrachtig en heeft een partner op wie ze kan terugvallen, dan kan het wel wat lijden. Maar als het bijvoorbeeld een eerste kind is, de moeder heeft van huis uit geen goed voorbeeld meegekregen en ze heeft weinig steun, dan is zo’n relatie kwetsbaar. In onze cultuur zijn we vaak niet zo zeker in de omgang met kinderen. We leven in een stress-volle maatschappij waarin de mensen vrij verstandelijk zijn en weinig ervaring hebben met kinderen. Een slechte start kan dan sterk bijdragen aan een gevoel van onzekerheid bij beginnende ouders. Het heeft invloed op je zelfbeeld: wat voor ouder ben ik, ben ik iemand die dit kan?’

Coach
‘De start is gewoon een belangrijk onderdeel in een belangrijk proces. Het ziekenhuis kan helpen de natuurlijke afstemming tussen ouders en kind zo goed mogelijk op gang te brengen. Het is goed mogelijk om ouders daarbij te coachen. Je kunt ze helpen hun kind te herkennen als individu, met zijn eigen kenmerken en ze daar enthousiast voor maken. Je kunt ze ook helpen de signalen van hun kind te leren kennen en daarop te reageren: waarom huilt het, hoe bouwt zich dat op, wat maakt het rustig? Als je ouders daarbij ondersteunt kan dat veel effect hebben, vooral bij ouders die zelf de puf niet kunnen opbrengen of die niet goed weten hoe het moet. Als een kind dan ’s nachts wordt weggehaald omdat het huilt, is dat een gemiste kans voor de moeder om te leren hoe ze kan omgaan met huilen.
Ondersteuning is vooral ook belangrijk als een moeder na een zware bevalling niet veel oog heeft voor haar kind, of ze kan niet voor hem zorgen. De kraamverpleegkundige moet dan de zorg even overnemen, maar kan daarbij het contact met de moeder toch voorop stellen: met het kind naast de moeder gaan zitten, het kind zoveel mogelijk bij de moeder leggen, haar het kind laten vasthouden als ze dat wil, laten zien hoe ze zelf omgaat met het kind. Alles gericht op het ontwikkelen van een hechte band, niet tussen verpleegkundige en kind, maar tussen moeder en kind. Niets opdringen, maar stimuleren.’

Prachtig
‘In die eerste dagen kun je veel doen voor ouders en kind waar ze later de vruchten van plukken. In het ziekenhuis kunnen de pedagogisch medewerkers daarbij worden ingeschakeld, maar het zijn vooral de verpleegkundigen die het moeten doen. Het zou mooi zijn als kraamverplegenden instrumenten kregen voor het begeleiden van ouders en kind, als ze dat ook leerden in hun opleiding. Observeren, bijvoorbeeld, moet je leren. We hebben onderzocht in hoeverre leidsters op kinderdagverblijven in staat waren de verschillen in temperament te zien tussen kinderen. Het bleek dat ze dat heel slecht konden; ze leren tijdens hun opleiding kennelijk niet om door die ‘bril’ te kijken. Er zijn dus vaardigheden nodig, maar ik denk dat het op een kraamafdeling vooral ook afhangt van de visie van verpleegkundigen.
Wanneer je je als verpleegkundige tijdens je dagelijks handelen bewust bent van wat er gaande is en van de rol die je daar zelf in speelt, handel je anders. Binnen de grenzen die de organisatie stelt, kun je van alles doen. Daarnaast is het zaak dat organisaties hun verantwoordelijkheid beter oppakken. Het is helemaal niet nodig om in bestaande regels te blijven hangen. Organisaties hebben tegenwoordig de mond vol van patiëntgerichtheid en vraagsturing: dit hoort daarbij. Een ziekenhuis dat waarde hecht aan het welbevinden van patiënten, zal er alles aan doen om het samenspel tussen ouders en kind te bevorderen. Als je er oog voor krijgt hoe mooi dat samenspel is en hoe fijn dat werkt, raak je vanzelf gemotiveerd om dat te bevorderen. Het is prachtig als je een gezin kunt versterken, als je eraan kunt bijdragen dat ouders en kind op elkaar afgestemd raken.’

Annelies van Lonkhuyzen is freelance journalist.

Ontleend aan Kind en Ziekenhuis, themanummer 'Pasgeborenen', juni 2003.